Wit licht

Ik zit op een bankje in een vierkante ruimte met aan weerszijden een gat in de muur. Mijn voeten rusten op tranen uit de Amazone gevangen in hardhout en visgraat. Het venster naar hemel en vrijheid wordt gedragen door baksteen en mortel.

De zaal zoemt. Vliegenvleugels fluisteren, bijen knisperen, krekels knerpen. In het gefilterde licht dat door de dakramen valt, schieten motten schaduwen, verdwijnen wespen in vlekken. De zeepbel om mij heen, een steeds van kleur veranderende hallucinerende bel van sop en water, draait om mij heen, rolt mij langs schilderijen en prenten, drijft omhoog tot hij het plafond raakt, ploft en spuugt mij uit in een fontein van miljoenen kleuren. Gedragen door libellen zweef ik naar beneden terwijl het licht vervaagt tot grijze nevel.  Eindeloos verlangen naar een verloren paradijs.

Naast me zit een oude man wat voor zich uit zit staren. Hij draait zijn hoofd naar me toe en kijkt me door zijn brillenglazen fronsend aan. Even lijkt het of hij iets wil zeggen, dan bedenkt hij zich, staat op en wandelt naar de uitgang. In de deuropening aarzelt hij, blijft even staan en zegt: 

‘De diepste kunst kleedt zich in de minst grillige verschijningsvorm.’ Continue reading “Wit licht”