De rat

De houten bank is hard. Een korte dienst duurt anderhalf uur, een lange dienst een mensenleven. De heer is afgedaald uit de hemel en schreeuwt vanaf de kansel zijn waarheid de wereld in. Niets en niemand wordt gespaard, de zonde van het vleesch is overal en zal worden vernietigd. De kale, modderige akkers hebben de prediker geinspireerd tot grootse beeldspraak. Wie niet in God gelooft gaat niet naar de hel maar woont daar al. Geen plek op aarde zo verdorven als dit dorp. Met harde uithalen wordt het laatste streepje licht verdreven. Maar dan, zie daar de verlossing! Uit de hemel daalt een wit licht neer op de mensen en zal allen die in vervoering zijn gebracht door Satan verheffen in den Almachtige, de Schepper, de Heiland, in God onze heer!

Sofia schuift ongemakkelijk heen en weer. Geklemd tussen moeder en ‘haar van Bergijck’ moet er meegezongen worden. Als een automaat zingt ze nietszeggende regels. Schuin voor haar, verscholen onder een zwart hoedje met een kleine voile zit Ria, dochter van de fietsenmaker. Dapper worstelt ze zich door de hele noten van psalm 51, met hoge uithalen aan het eind van elke zin.

‘Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaaaaaad!;
Mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweeeeven.’

De laatste uithaal was iets teveel van goede, de dominee kijkt verstoord in haar richting. Sofia lacht heimelijk, Ria durft wel. Maar ja, haar ouders zijn niet zo streng in de leer.
‘Ria… ze kent al haar geheimen. Haar beste vriendin met wie ze alles deelt. Bijna alles…’ Sofia twijfelt, zal ze haar in vertrouwen nemen? Hoe zal ze reageren?

Een harde por in de zij. ‘Opletten!’ sist haar moeder venijnig in haar oor. Bedeesd slaat ze haar ogen neer. Je maakt de hele familie tot schande.’ Sofia kan het wel dromen, zo vaak heeft ze deze woorden gehoord. Niets kan ermee door, altijd heeft haar moeder wel een sneer klaar, een venijnige opmerking paraat.
Heimelijk kijkt ze naar haar moeder. Uit haar ooghoeken ziet de smalle lippen, strak opeengeklemd, de spitse neus en de bleke wangen. ‘God was niet gunstig gestemd toe je verwekt bent ma. Soms vraag ik me af of ik je dochter wel ben.’

De dienst is bijna over, de zege wordt uitgesproken, nog een samenzang. Terwijl de koster de deur van de consistoriekamer sluit en het orgel zijn laatste adem uitblaast stroomt de kerk leeg, het natte plein op. Bij de uitgang wordt de dienst besproken, elke keer weer, om elkaar bevestiging te vragen. Hebben we Gods woord begrepen? De vijfde vraag uit de catechismus, waarom is die zo belangrijk?

Sofia loopt naar huis. Als ze zich tussen de groep mensen probeert door te worstelen wordt ze tegengehouden door twee mannen. Ze vraagt beleefd of ze door mag lopen, maar ze kijken haar alleen maar aan. Een van hen, een kerel met donker vettig haar doet een stap dichterbij, en brengt zijn gezicht vlak bij het hare: ‘dat moet je dan heel lief vragen Sofietje.’ Zijn adem stinkt naar tabak en koffie. Ze wil zich omdraaien maar hij grijpt haar arm vast en trekt haar naar zich toe. Zijn andere hand glijdt langzaam langs haar rug naar beneden tot hij vlak boven haar billen stopt. ‘Erg lief Sofietje, en zonder te schreeuwen.., want je weet wat er gebeurt als je schreeuwt nietwaar?’ Sofia kijkt angstig om zich heen, maar niemand reageert, iedereen kijkt de andere kant uit. Iedereen behalve haar moeder die ze recht in haar ogen kijkt. Ogen die spottend terugkijken. Met een schok realiseert Sofia zich dat haar moeder haar uitlacht.

‘Sofieee!’ De stem van Ria snijdt door de groep zwarte pakken en nette hoedjes. De man houdt haar nog even vast. Dan draait hij zich om en loopt samen met z’n maat het kerkplein af, door de dorpstraat naar de brug. Op de brug blijft hij staan een kijkt om naar Sofia. Zijn ogen glinsteren. Sofia staat als versteend, ze wil niet geloven wat er net is gebeurd. Een wildvreemde man die weet wat er gebeurd als ze schreeuwt? Die weet dat ze schreeuwt als…’Heee, Sofie? Waar ging dat over? De tranen staan in haar ogen als ze Ria aankijkt. ‘Ria, ik.. ‘

Ruw wordt Sofia onderbroken door haar moeder. ‘Hallo Ria, ik denk dat het beter is als je naar huis gaat. En jij gaat met me mee.’ Ze pakt Sofia’s arm en trekt haar mee naar huis. Bij de voordeur aangekomen stopt ze en grijpt Sofia bij haar schouders vast. ‘Jij zal je vanmiddag wel gedragen nietwaar? Ik wil geen geintjes meer van jou!’ Je hebt gewoon te doen wat je verteld wordt want anders…’ Ze maakt haar zin niet af, maar Sofia weet precies wat haar moeder bedoelt. Langzaam loopt ze achter haar moeder aan naar binnen.

In de woonkamer staat de radio aan. Naast de haardkachel zit vader in de rookstoel te luisteren naar klassieke muziek, een opera van Verdi zo te horen. Terwijl ze de keuken inloopt hoort ze hem zachtjes meeneurieen. De rillingen lopen over haar rug als ze naar de kapstok loopt om haar jas op te hangen. De kat springt voor haar voeten weg, langs haar benen de bijkeuken in. Haar moeder heeft geen oog meer voor haar, er moet worden gegeten. Op het aanrecht staat het eeuwige draadjesvlees te stoven op het petroleumstelletje, een weerzinwekkende geur van dood dier door het huis verspreidend. Een groen gestreept plastic tafelkleed bedekt de oude, bruin verkleurde, tafel. Naast het bord van vader het Handelsblad, strak gevouwen. Sofia ergert zich nu al: het ritselen van de krant, het zwijgend eten van moeder. Het zijn niet de gezelligste maaltijden.

‘We gaan bidden’ Moeder buigt eerbiedig het hoofd en prevelt haar gebed. Ondanks een kerkdienst van anderhalf uur moet opnieuw worden gesmeekt voor het dagelijks brood, de zonden beleden worden en vergiffenis afgesmeekt. ‘Heren zege deze spijzen amen’ voldoet in dit huis niet. Vader bidt niet mee. Met open ogen staart hij voor zich uit als zijn vrouw extatisch God aanroept. Snel sluit hij de ogen als het gebed van moeder bijna klaar is. Pas als zij haar handen op tafel legt opent hij ze weer en zegt plechtig: ‘amen.’

De maaltijd verloopt zoals altijd in stilte, moeder schept de borden op, vader leest de krant en Sofia… Sofia denkt aan dat moment dat hopelijk snel zal komen, het moment van bevrijding, de verlossing uit dit bestaan, het moment dat ze zal verwelkomen als een gift van… God? Nee dat niet, dat nooit meer. Voor God is in haar leven geen plaats meer, is nooit plaats geweest.

Het is bijna twaalf uur. Om één uur begint G.B.J. Hilterman met zijn preek: de toestand in de wereld.

Sofia ruimt de tafel af. Vlug spoelt ze de borden, wast het bestek af. Ze wil nog maar één ding: weg uit de keuken, naar boven, naar haar kamer. Alles beter dan het gezelschap van haar ouders.

Als ze de deur van haar kamer opendoet deinst ze terug. Ze wil gillen maar er komt geen geluid uit haar keel: op haar bed ligt een dode rat.

Lees het derde hoofdstuk: Ogen

One Comment Add yours

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s