Het meisje met de stokjes

Direct stapelverliefd, op het meisje met de stokjes. Wat was ze mooi! Ik hield mijn adem in toen ze in haar grijze jurkje, op haar zwarte laarzen het podium opliep. Het orkest zat te wachten tot ze met haar stokjes tikte.

Tik Tik Tik Tetter!

Het blaasorkest vulde de zaal met herrie. Het meisje met de stokjes zag ik alleen van achteren, ze keek me helemaal niet aan. En toen was het over. De trompetten zwegen, de tuba hield zijn mond en het meisje draaide zich om. Haar strakke grijze jurkje spande om haar bolle buikje terwijl ze stralend voor het publiek boog. Naar mij boog en me toen ze me aankeek was het alsof ik droomde.

Na afloop kwam ik haar tegen in de foyer. Ze stond een kopje sterrenthee te drinken.
‚Jullie zijn prachtig, wat ben je mooi!’ Haar lach was betoverend. Haar ogen straalden.

‚Mooi he? Zo met m’n kindje op het podium?’ We waren zo dicht bij elkaar.

Een kleine verliefdheid – Zomaar

(repost van 6 december 2010)

Kristallnacht

Ik ben enig en enigst kind. Het eerste beweert mijn moeder, het tweede is een feit. Een familie reünie is dus, als ik mij beperk tot the ‘next of kin’ een zeer besloten aangelegenheid. Laat ik omwille van dit verhaal het iets breder nemen. Naar moederskant stop het direct. De bloedlijn loopt bij haar dood. Mijn vader, Heinrich, in 1980 overleden, komt uit een grote familie. Een familie met een geheim dat ik na al die jaren nog niet volledig boven water heb weten te krijgen. In gesprekken met ooms en tantes kreeg ik het het idee dat het zorgvuldig voor mij verborgen werd gehouden. Tot ik laatst op een reünie in gesprek raakte met mijn oudste tante, tante Hannah.

Het verhaal begint op 8 november 1938, in een klein restaurant in de Altstad van Hamburg

De Alt-Hamburger Aalspeicher is sinds de 16e eeuw een bekend visrestaurant aan de Deichstrasse. Het plafond is bruin verkleurd door sigarenrook, de tafeltjes staan dicht op elkaar. Kleedjes en dikke gordijnen dempen de gesprekken.
Aan een tafeltje bij het raam dat uitkijkt over de Nikolaifleet zit het gezin Heine. Vader Heine is geboren in Odessa en in 1918 gevlucht tijdens een Pogrom. De stemming is somber, sinds de opkomst van het nationaal socialisme is Duitsland veranderd, goede vrienden zijn achterdochtig geworden, buren vertrouwen elkaar niet meer. In de straten lopen bruinhemden te schreeuwen en banen zich een weg door het winkelend publiek. Het recht van de sterkste doet het licht uit.

“De dreiging komt dichtbij”, Heine fluistert bijna, “ik voel me niet meer veilig.” “Elke dag word ik nageroepen, bedreigd of bespuugd.” “Mijn eigen vrienden willen niet meer met omgaan. Bang gemaakt door de mannen van Röhm.” Terwijl hij praat kijkt hij voorzichtig om zich heen, om zeker te weten dat ze niet worden afgeluisterd. Zijn vrouw knikt. “Gisteren werd ik bij de bakker uitgescholden door dat mens van Godschalk.” “De kinderen zitten erbij dus ik zal niet herhalen wat ze zei..” Frau Heine is een stoere vrouw. Zij laat zich niet snel uit het veld slaan. Toch is ze bang, bang voor de toekomst, voor het onbekende. Een unheimisch gevoel.
De kinderen kan het allemaal niet veel schelen. Ze zijn nog te jong om zich bewust te zijn van het naderende onheil. Heinrich, de oudste is twaalf en Hannah tien jaar oud. Hun wereld beperkt zich tot bonbons en kletskoppen.

Heine und Son staat er trots op het raam van de zuivelhandel. Op de dag dat zijn zoon werd geboren heeft Johannes de ruit laten plaatsen. De winkel is gelegen in het Grindelviertel, aan de Oberstrasse tegenover de nieuwe synagoge. Van boven tot onder staat de winkel vol met melkbussen, kazen van wel 50 Kg en dozen met eieren. Links van de ingang staat de toonbank, gemaakt van zwaar eiken en afgedekt met een wit marmeren blad. De kazen worden gesneden met een oude pianosnaar geklemd tussen twee houten klossen. Een heel karwei, vooral als het oude kaas is, die zijn keihard en heel brokkelig. Johannes transpireert ervan, zweetdruppels lopen langs zijn slapen naar beneden. Zwaar hijgend trekt hij de snaar door de kaas. Zijn klanten staan het geamuseerd op te nemen.
“Nou Johan, deze kaas is goed gezouten. Zoals jij transpireert! Ik zou een biertje minder drinken als ik jou was.” Johan kijkt de klant aan. “Dacht je nu echt dat ik niet meer naar het café ga?” “Een mens moet er nu en dan toch even uit?” De man kijkt bedenkelijk.”Pas maar op, de laatste tijd is het niet pluis in de stad. Ik hoor verhalen…” Johan moest hem gelijk geven. “Gisteravond heb ik nog bij de Aalspeicher gegeten. De chef vroeg mij om niet meer te komen. Hij kreeg er last mee.”

Johan kijkt  de man na als die de winkel uit loopt met een kilo kaas. Voor hem op de toonbank liggen naast de kaasplank vier druppels zweet. Zijn zweet. Inmiddels is het vijf uur geworden. bijna tijd om de winkel te sluiten.

Twee blokken verder zitten Heinrich en Hannah op school. In de klas zitten 40 kinderen, uit alle milieus door elkaar heen. Met een klap gaat de deur open: “Vlug, haal de kinderen hier weg.” De hoofdmeester staat hijgend in de deuropening. “Breng ze naar de stookkelder, hier zijn niet veilig!” De SA valt de joden aan! – In die tijd was het gebruikelijk dat er leerlingen met verschillende leeftijden door elkaar in de klas zaten-  Onder leiding van de lerares nemen de oudere kinderen de kleintjes bij de hand. Langzaam lopen ze in een rijtje naar de kelder, weg uit het licht, weg van de vrijheid.

De avond van de 9e november is aangebroken. De avond van de kristallnacht.

De eerste stenen vliegen door de ruiten, mensen worden de straat op gesleurd en hun inboedel werd kort en klein geslagen. Mannen en vrouwen, kinderen en baby’s worden mishandeld, vernederd en vermoord.
De wereld van Johannes houdt op te bestaan toen voor hem de winkelruit met het trotse Heine und Son uiteenspatte. De kei mist zijn hoofd op een haar, maar vernietigd zijn ziel. Hij ziet nauwelijks hoe de vandalen zijn winkel binnenkomen. Hij voelt de klappen niet die zijn laatste klant uitdeelt. Zijn laatste gedachten zijn niet hoogstaand. Hooguit verbaasd. “Hij kocht net een kilo kaas….”

Een Britse correspondent in Hamburg, werkzaam voor de London Daily Telegraph doet verslag: “In Hamburg heerst de wet van het gepeupel, hordes vandalen geven zich over aan een orgie van vernietiging. Ik heb in de laatste vijf jaar diverse anti-Joodse rellen meegemaakt, maar nooit zo ziekmakend als nu. Raciale haat en hysterie lijken zich volkomen meester te hebben gemaakt van een anders zo fatsoenlijk volk. Ik zag chic geklede vrouwen staan applaudisseren en schreeuwen van vreugde, terwijl respectabele moeders uit de middenklasse hun baby’s in de hoogte hielden zodat ze beter de ‘pret’ konden zien.”

Die nacht werden 7.500 winkels, 29 warenhuizen en 171 woningen verwoest, 191 synagogen verbrand en nog eens 76 synagogen op een andere manier vernield. Er kwamen 236 joden om. Een van hen was Johannes Heine. Zijn vrouw vluchtte twee dagen later met de kinderen naar Nederland.

De Nederlandse regering reageerde gematigd, minister-president Colijn wilde angstvallig de Nederlandse neutraliteit behouden. Omdat de Nederlandse regering op goede voet wilde blijven met Duitsland, sloot Nederland op 15 december 1938 de grens voor Joodse vluchtelingen en bestempelde hen tot ongewenste vreemdelingen.

Ik zat stil te luisteren. Van alles wat ik had verwacht, dit niet. Dit verhaal hoort niet op een familie reünie.

Oma hertrouwde met een… melkboer. Heinrich heeft nooit iets over de oorlog verteld. Hij overleed in Frankrijk, op vakantie, op de st-Mont Michel waar hij naast mijn moeder stond.

Alles blijft – Gerrit Komrij

Weekly photo challenge - Humanity

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)

Oliebollen van Cornelia Wannée

Authentieke oliebollen van Cornelia Wannée

Na alle dramatische berichten over oneetbare oliebollen uit de kraam, vermeende milieudelicten en aanslagen op de volksgezondheid heb ik besloten om zelf te gaan bakken. 

Ik doe geen concessies: het moet een origineel recept zijn, bij mij geen bol uit de Allerhande of Jumbo blaadjes. Nu ben ik een verzamelaar van kookboeken – wat niet wil zeggen dat ik een gepassioneerd kok ben – en in een van die exemplaren staat vast een ‘grootmoedersoliebollenrecept’.

Na veel wikken en wegen heb ik gekozen voor een recept uit de Wannée. Cornelia Johanna (C.J.) Wannée (1880-1932) was lerares en later directrice aan de Amsterdamsche Huishoudschool in het begin van de twintigste eeuw. Ze merkte dat er behoefte bestond aan een algemeen kookboek voor de Nederlandse huisvrouw. In 1910 verscheen de eerste editie van haar Kookboek van de Amsterdamsche Huishoudschool. Al een eeuw lang wordt dit kookboek steeds aangevuld en herdrukt.

Lijkt me behoorlijk authentiek.  Oh ja, het is voor veertig kleine oliebollen of twintig grote.

Oliebollenrecept

500 gram bloem
1 theelepel zout
30 gram verse gist
4,5 deciliter lauwwarme melk (40 graden)
1 theelepel suiker
1 ei
40 gram rozijnen, gewassen
40 gram krenten, gewassen
25 gram sukade snippers
20 gram stemgember, in stukjes
1 appel, in kleine stukjes
25 gram gehakte noten (!)
geraspte schil van 1 citroen
Zonnebloemolie

Handige oliebollenweetjes

Er zijn twee stromingen. De eerste gaat uit van een uur rijzen van het deeg en de tweede stelt dat vijftien minuten voldoende is omdat de bol in de olie wel rijst! Maar dat zijn Belgen dus daar ga ik niet voor.

Om te voorkomen dat de krenten, rozijnen, stemgember, appel en sukade in het beslag naar beneden zakken haal je ze even door de bloem. Dan verspreiden ze zich prachtig door het beslag. En voordat ik het vergeet: leg het ei op tijd uit de koelkast dan is het op kamertemperatuur!

Wat ons verder op het hart gedrukt wordt is de wijze waarop de bollen worden neergelegd. Nooit op elkaar! Want dan loopt de olie naar de onderste bollen die dan baggervet worden. Op een schaal, naast elkaar op keukenpapier is de opdracht.

Baktips

  • Zonnebloemolie verwarmen tot ongeveer 170 graden
  • IJslepel of juslepel insmeren met olie om het beslag te scheppen (regelmatig verversen)
  • Beslag als een druppel van de lepel laten glijden. Vlak boven de olie laten vallen. Voorzichtig!
  • Bollen 2 minuten laten bakken en dan met een pollepel keren. (soms gaan ze vanzelf)
  • Nog 3 minuten doorbakken en met een schuimspaan uit de pan halen.

Goed. We gaan het proberen. Om Johannes van Dam te citeren:

‘Er gaat natuurlijk niets boven een warme, versgebakken bol. Dat is niet moeilijk, maar je ruikt de olie wel. Komaan, doek om het hoofd en afzuiger aan!’

Save

Save

Het gevaar van spontaan schrijven

Ik ben in een gevaarlijke stemming. Zin om iets banaals te schrijven, een affreus stuk te dichten. Mezelf op de hak te nemen en de rest van de mensheid te shockeren. Waar zit de handrem?

Gelukkig herken ik het gevaar. Voelde het aankomen. Het is mijn vakantiesyndroom. Schrijven als uitlaatklep voor heerlijke verveling. Want vervelen doe ik me. Fantastisch! Stoppen dus.