Verlossing?

Bewegingloos staat ze in de hoek van de kamer te wachten op het onzegbare. Langs de muren hangen kleden van zwart velours. Een schilderij in een zware houten lijst domineert de wand naast de deur, een stier met reusachtige hoorns staat briesend boven een vreugdevuur, naakte demonen aan zijn hoeven. Haar ogen, zwart in haar bleke gezicht, staren naar de deur.
De voetstappen komen dichterbij, om voor de deur van haar kamer te stoppen. Langzaam, met een metalige piep, wordt de deurknop omgedraaid, de deur opengeduwd…

De regen is overgegaan in nevel en dringt door de kieren van het rieten dak door tot in de diepste krochten van het huis. Wolken wierook hangen als een deken in de kamer en worden spookachtig verlicht door een cirkel van kaarsen. In het midden van de kring staat een zilveren beker.

Ze zitten in een cirkel, een walmende kaars voor zich. Het flakkeren van het vuur werpt groteske schaduwen op de muur. Gehuld in zwarte mantels zijn alleen de ogen zichtbaar, schitterend achter een spleet in de maskers. Een van hen staat op, pakt de beker, en zet hem aan de lippen van Sofia. Zonder zich te verzetten drinkt ze de beker leeg. Uit haar mondhoeken loopt de rode vloeistof naar beneden, langs haar hals tussen haar borsten door naar haar navel.

Sofia loopt naar het midden van de cirkel, de Dimethyltryptamine gierend door haar lijf. Haar lichaam trilt, ze wil zich verzetten maar kan niet, de drugs, de hypnotiserende ogen van de mannen, de demonen, de duivels om haar heen dringen in haar hoofd, ze is de controle over haar wil verloren. Onder de zwarte mantel is ze naakt. De zwart satijnen stof valt soepel om haar lichaam en laat weinig aan de fantasie over. Ze voelt de spanning in de kamer toenemen als ze de zweep opraapt en in het midden van de cirkel gaat staan. Oorverdovend zingt Diamanda Galas: ‘Deliver Me from Mine Enemies’.

‘Het is mijn wil om de egrogore van Lilith op te roepen, zodat wij door haar ziel worden bevrijd van angst voor dood en genot en gezegend worden door haar kracht!’

De stem van Sofia is veranderd. Het is alsof een ander in haar lichaam is gekropen. Haar bovenlichaam wiegt heen en weer, ze heeft haar ogen weggedraaid. Met haar armen voor zich uitgestoken fluistert ze, zacht maar voor iedereen hoorbaar:

‘Ik ben de dochter van de Vader en dien hem op alle dagen in mijn jeugd. Ziehier, ik geloof, maar de hemel drukt op mij. Zij verlangt naar me met onbevredigbare lust, want niemand op aarde heeft mij ooit in zijn armen genomen, ik ben overschaduwd door een cirkel van sterren, omgeven door wolken. Mijn voeten zijn sneller dan de wind, mijn handen zachter dan morgendauw. Mijn gewaad is van de schepping, mijn tempel ben ik zelf. De gedrochten in het woud weten niet waar ik loop, de ware God kent mijn verblijfplaats niet. Ik ben genomen maar toch nog maagd. Ik bevredig maar ben niet bevredigd. Gelukkig hij die mij mag omhelzen want nachts ben ik zijn geliefde en overdag zijn geluk. Ik ben de harmonie van al dat leeft, mijn lippen zoeter dan Zijn liefde. Ik ben de Uwe dus gebruik me. Zonen der mensen kom tot mij, schenk mij uw heiligheid. Laat uw trompetten schallen, verscheur uw kleed en ik geef u kinderen en zij zullen de zonen van de liefde zijn in de Era die gaat komen.’

Sofia bestaat niet meer. De vrouw in de cirkel is bezeten door Lilith, opgeroepen uit het duister van het onnoembare. Overmand door de hallucinerende werking van DMT is haar werkelijkheid veranderd. Om haar heen dansen demonen, verschijnt de duivel aan haar als een reusachtige stier. Het plafond loopt over in de sterren, de muren zijn vervaagd tot een zee van vuur. Haar angst is verdwenen. Zij heerst over hen. Met haar linkerhand maakt ze haar mantel los, naakt staat ze in cirkel en wijst naar een van hen…

De groep zingt zachtjes, ritmisch wiegend op de toon van de muziek het lied van Lilith

‘Luna negra, Lilith, hermana tenebrosa,
Cuyas manos dan forma al lodo infernal,
En lo más débil de mi, en lo más fuerte,
Moldeándome como arcilla a partir del fuego.

Luna Negra, Lilith, Yegua de la Noche,

Lanza a tus crías al suelo

Expresa el Nombre y emprende tu retirada
Pronuncia ahora el sonido secreto’

Twee paar handen grijpen haar schouders en dwingen haar op de grond te gaan liggen. Zonder verzet laat ze hen begaan, geeft ze zich over. In de hoek van de kamer staat een oude gebogen man op en laat zijn mantel op de grond glijden. Hij loopt naar Sofia toe en buigt zich over haar heen. Zijn hijgende adem slaat in haar gezicht. In haar onderbewustzijn herkent ze de geur van pepermunt…

Weggedoken onder haar paraplu loopt moeder naar het huis van de koster. De gebedsbijeenkomst is deze zondag bij hem. Ze vindt dat altijd wel prettig. Janus en zijn vrouw zijn aardige mensen en, ze zal dat nooit toegeven, eigenlijk is het wel lekker om uit huis te zijn. De laatste tijd is Sofia zo dwars, er is geen land met haar bezeilen. Van haar man kan ze ook geen hoogte krijgen, die is met zijn hoofd ergens anders mee bezig, niet met ons in ieder geval. ‘Ik wilde dat het anders was, dat we nog een gezin waren.’ Moeder schrikt van de gedachte. Zo wil ze niet denken, dat geeft teveel verdriet. En bovendien peinst ze, er is toch niets aan te veranderen. In onze kringen ga je niet uit elkaar. Je legt de gelofte van het huwelijk af met God zelf als getuige. Nee, dat zal anders moeten worden opgelost. Ze zal het er na afloop van de bijeenkomst met de dominee over hebben.

Als ze de hoek omslaat staat ze oog in oog met het vriendje van Sofia en Ria. Koel neemt ze hen op. Ria is nu niet direct het soort meisje waar Sofia mee zou moeten omgaan en dan die jongen. Daar wil ze niet eens mee praten. Katholiek. Met een kort knikje wil ze doorlopen, niet de behoefte om haar tijd te verspillen als Ria haar aanspreekt. ‘Mevrouw, mag wij u even spreken? Het gaat over Sofia..’ Iets in de stem van Ria zegt haar dat er iets mis is. Grondig mis. ‘Ze zal toch niet? Nee, dat niet, dat Rotkind!’

Na afloop van de dienst keek Ria de twee vrouwen na. Wat een vreemde reactie van dat rare mens. En dan Sofia. Dat klopt toch niet? Niets voor haar om zo te reageren, wat is er aan de hand? Ze had nog even gewacht of haar vriendin terug zou komen maar na een paar minuten had ze het opgegeven en was naar huis gegaan. De regen was overgegaan in een wolkbreuk, de hemel zelf kwam naar beneden. Het leek wel nacht, zo donker was het. Aan de horizon liepen de zwarte strepen van de grauwe wolkenmassa over in modderige weilanden. De plassen op straat waren niet meer te ontwijken en haar schoenen raakten doorweekt. Op de kwakel had ze nog een keer omgekeken, daarvandaan kon ze nog net het zolderraam van Sofia zien. Achter het gordijn brandde licht. ‘Ik zal dat vriendje van haar eens bellen, misschien weet hij wat er aan de hand is.’

‘Wat is er aan de hand?’ Op haar gebruikelijke schelle, commanderende toon eist ze tekst en uitleg. Diep van binnen is ze niet zo, maar door alles wat ze heeft meegemaakt is haar ziel verhardt. ‘Ik wil nu weten wat er aan de hand is..’ Ze moet bijna schreeuwen, zo hard regent het nu. De putten lopen over, en behalve een eenzame natte kat die rennend zijn prooi in veiligheid wil brengen is er geen niets op straat. ‘Mevrouw, kunnen we even met u meelopen? Ik denk dat we beter even binnen kunnen praten.’

Er valt een diepe stilte. De leden van de bijbelkring durven elkaar niet aan te kijken, zo geschokt zijn ze. Ria zwijgt. Haar handen beven, de brief ritselt tussen haar vingers. Zwijgend kijkt ze de kring rond. ‘Ik heb dit vanmiddag gehoord, net na de ochtenddienst. Kennelijk wist hij er al langer van.’ Het vriendje van Sofia zit met gebogen hoofd naast haar. Hij wist niet hoe hij er mee om moest gaan is zijn slappe verweer. ‘Waar moet je naar toe met zoiets?’ Dit is toch niet normaal? En bovendien jullie hadden me toch niet geloofd, ik ben tenslotte katholiek?’ Zijn toon is scherp, bijna agressief. Nog steeds zegt niemand iets. ‘Hoelang is dit al aan de gang?’ De koster doorbreekt het zwijgen. Zijn stem snijdt door de kamer. ‘En vooral, wat gaan we eraan doen?’ De moeder van Sofia staart voor zich uit. Ze voelt alle ogen op zich gericht. Vertwijfeld kijkt ze van de een naar de ander. ‘Moet ik dat zeggen!! Ik weet het toch ook niet! Als de domi.. Ze slaat de hand voor haar mond en zwijgt. Ria maakt de zijn voor haar af: ‘Als de dominee nu hier was geweest dan had hij het wel geweten, dat wilde u toch zeggen? Maar dat is het nu juist, hij is hier niet! schreeuwt ze: HIJ IS HIER NIET!’

Ze lopen over smalle wegen, de modderige paden van het vlakke land. De handen gekloofd, de ruggen gekromd. Op het gezicht een verbeten trek, een uitdrukking van woede. De mannenbroeders. Voor de deur van de kerk verzamelen ze zich, de zwarte jassen druipend van de regen. Even staan ze in een kring bij elkaar, dan draaien ze zich om en lopen zwijgend naar het huis. Een voor een gaan ze naar binnen. De kerk zal nooit tevergeefs een beroep op hen doen.

Ze aarzelt. Het is altijd haar droom geweest om een jurk van Victor en Rolf te bezitten. Maar nu ze voor de deur van het atelier staat twijfelt ze. Een droom die in vervulling gaat is een vervlogen droom. Voorzichtig doet ze de deur open en kijkt gespannen in het rond. Niets. Geen creatie te zien. Haute Couture koop je niet uit een rek. Na een paar passen realiseert ze zich dat ze wordt gevolgd. Snel draait ze zich om en staat oog in oog met een kleine gebogen man. Ze ruikt de lucht van pepermunt…..

Hallo Sofia… of moet ik Lilith zeggen?

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s