De geur van pepermunt

Proloog

Zwak dringt het geluid van de radio door het plafond heen. Zoals altijd staat G.B.J. Hilterman aan. De toestand in de wereld schalt op gedragen stem door het huis. Over tien minuten zal de radio zwijgen en de trap kraken.

Rechtop zittend achter haar bureautje staart ze naar de brief die voor haar ligt: ‘Lieve, ik begrijp niet wat hem bezielt, maar dit kan zo niet doorgaan, dit laat ik je niet langer aandoen…’

De stem is verdwenen. De angst slaat haar om het hart, het zweet parelt op haar voorhoofd. Langzaam staat ze op en gaat in de hoek van de kamer staan, haar armen langs haar lichaam, het hoofd gebogen, de ogen neergeslagen….

Hoofdstuk 1: De mannenbroeders

De rat haast zich om uit handen te blijven van de man in het zwart. Grote zware passen weergalmen in de lege kerk. Onder de preekstoel door, over de harde houten banken vlucht hij weg voor de koster. Net denkt hij de vrijheid te hebben bereikt als een vlammende pijn door zijn lijfje schiet. De riek doorboord zijn romp en in de weinige seconden die hij nog leeft kijkt hij in de donkere ogen van zijn moordenaar. Ze begrijpen elkaar. De dood is de verlossing, elk leven is eindig.

‘Janus waar blijf je? De dienst gaat over tien minuten beginnen!’ De koster zucht. Nooit meer zonder commentaar, altijd heeft ze wel wat te zeuren of te klagen. ‘Ik kom eraan! Even een rat in de vuilnisbak gooien’ Zijn vrouw geeft geen antwoord meer, als een bezig bijtje allang weer ergens anders. Somber kijkt hij door het stoffige licht naar de deur van de consistoriekamer. Door de zware, met ijzer afgezette deur, klinken de ingetogen stemmen van de ouderlingen en de dominee, gezamenlijk in gebed.

‘O, eeuwige God en allergenadigste Vader, wij verootmoedigen ons uit den grond des harten voor Uw hoge majesteit, tegen welke wij zo menigmaal en gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen, dat, zo Gij met ons wilt in het gericht gaan, wij niet anders dan den eeuwigen dood verdiend hebben.’

Een gebed om hem de steun te vragen voor het bestaan op aarde, voor henzelf en voor de gemeente. Om te vergeven voor de zonden die zijn begaan. Voor de zonden nog te beraden… De koster zucht opnieuw. Hij heeft er al zoveel voorbij zien komen. De een nog vromer dan de ander, nog meer begaan met de zielenheil van de gemeente. Met iedereen begaan, denkt hij. ‘Ja ja, ik weet wel beter..’

Buiten verzamelen zich de eerste gelovigen, een nieuwe dag met God is aangebroken, de kerk de magneet die het land leegzuigt.

Het landschap strekt zich eindeloos uit onder een lucht van witte bergen, dat doorkruist met zwarte, natte strepen, gewichtloos drukt op vuile paarden, zompige weiden en havelozen boeren. Boven elke horizon wijst een vinger naar de lucht, zwart in al zijn somberheid, die je altijd doet beseffen dat God achter elke kleihomp, achter elke boom een verklikker heeft. God is nooit ver weg.

Sofia staart peinzend naar zichzelf in de spiegel. Haar evenbeeld lijkt zoveel gelukkiger. De buitenkant verhult haar verdriet. Een cynisch lachje glijdt over haar gezicht. Niet dat er iets aan mankeert, integendeel, ze is eigenlijk wel blij met haar lichaam. Het losse blonde haar dat op haar smalle schouders valt, haar borsten en lange benen zijn niet verkeerd. ‘Nou ja, je kan beter “borstjes” zeggen, denkt ze, maar ze zijn wel mooi.’ Een schaduw trekt over haar gezicht: was het maar mijn eigen lichaam, van mijzelf…,

‘Kom nu eindelijk eens naar beneden! Hou op met dat getut en schiet op!’ Haar moeder heeft een schelle stem en is door het hele huis te horen.
Sofia slaat haar ogen neer en voelt het schaamrood op haar gezicht. Ze loopt naar de kledingkast en haalt haar zondagse kleren van het haakje. Een rok… Niets haat ze meer dan die zondagse rok. Verplicht voor de kerk. Vol verachting denkt ze aan de mannen en vrouwen in het zwart die elke vorm van luchtigheid zien als een aanval op het geloof. God is kleurenblind denkt ze, en daarom dragen ze zwart. Beneden hoort ze haar vader in de winkel. Hij haalt kleingeld uit de kassa voor de collecte. Met een diepe zucht trekt ze haar kleren aan. ‘Welke schoenen zal ik aantrekken? Platte of met een hakje?’ Ze weet dat moeder haar nauwgezet zal inspecteren voordat ze naar buiten gaat. Opstandig kiest ze voor de hoogste hakken die ze heeft, in de wetenschap dat die dus niet door de beugel kunnen, en gaat de trap af naar beneden.

‘Je lijkt wel een hoer. Ben je helemaal gek dat je zulke schoenen aantrekt?’ Haar moeder toont geen enkele emotie als ze Sofia de les leest. Het is meer een constatering. ‘Ga naar boven en kleed je om. Trek andere schoenen aan, zonder hak. Haal die mascara van je gezicht en steek je haar op. Je hebt twee minuten, dan gaan we.’
In de hoek van de kamer zit vader achter de secretaire aan de boekhouding te werken. Een magere, kale man. Zijn hoofd staat op een dunne nek die schriel uit het te wijde overhemdboordje steekt. Naast hem een asbak met een half opgerookte shagje. En halfje, dat scheelt weer in de kosten. Hij draait zich langzaam om in zijn stoel en kijkt Sofia aan. Zijn blikken glijden over haar lichaam en Sofia voelt zijn ogen branden. ‘Laat dat kind toch. Zo erg is het toch niet?’ Even blijven zijn ogen rusten op haar schoenen, dan staat hij op en trekt zijn jasje aan. ‘We gaan.’ Zijn vrouw kijkt hem verrast aan en aarzelt.. ‘Dit kan echt niet’ wil ze zeggen, maar de blik in zijn ogen doet elke tegenspraak verstommen. Zonder verder iets te zeggen draait ze zich om en loopt naar buiten. Sofia kijkt haar vader aan en loopt haar moeder achterna, de deur uit, naar de kerk.

Vanuit de voordeur is het tien meter lopen naar de kerk. De huizen zijn in een cirkel rondom de kerk gebouwd en staan al eeuwen in zijn schaduw. Voor de kerkdeur staan ze verzameld, de mannenbroeders van de Nederlands Hervormde Kerk. Knoestige koppen verraden het harde werk en stralen een onverzettelijkheid uit die past bij de desolate omgeving. Koppen als suikerbieten. Gestoken in zwart laken met wit overhemd lijken het kraaien op een kerkhof. Een stukje verder naar rechts staan de vrouwen apart, bij elkaar als schapen. Niet alleen moslima bewaren drie meter afstand tot hun man, denkt Sofia als ze op hen afloopt. Ze heeft geen zin om met hen te praten, en loopt direct naar binnen, naar de vaste plek van de familie. Haar hakjes tikken op de grafstenen die dienen als vloer van de kerk. Als ze de groep passeert ruikt ze de geur van pepermunt. Het bloed stolt in haar aderen; ze draait zich om kijkt in het gezicht van haar vader die naast een kleine gebogen man staat. Dat kan toch niet? Hij?

Hoofdstuk 2: De rat

De houten bank is hard. Een korte dienst duurt anderhalf uur, een lange dienst een mensenleven. De heer is afgedaald uit de hemel en schreeuwt vanaf de kansel zijn waarheid de wereld in. Niets en niemand wordt gespaard, de zonde van het vleesch is overal en zal worden vernietigd. De kale, modderige akkers hebben de prediker geinspireerd tot grootse beeldspraak. Wie niet in God gelooft gaat niet naar de hel maar woont daar al. Geen plek op aarde zo verdorven als dit dorp. Met harde uithalen wordt het laatste streepje licht verdreven. Maar dan, zie daar de verlossing! Uit de hemel daalt een wit licht neer op de mensen en zal allen die in vervoering zijn gebracht door Satan verheffen in den Almachtige, de Schepper, de Heiland, in God onze heer!

Sofia schuift ongemakkelijk heen en weer. Geklemd tussen moeder en ‘haar van Bergijck’ moet er meegezongen worden. Als een automaat zingt ze nietszeggende regels. Schuin voor haar, verscholen onder een zwart hoedje met een kleine voile zit Ria, dochter van de fietsenmaker. Dapper worstelt ze zich door de hele noten van psalm 51, met hoge uithalen aan het eind van elke zin.

‘Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaaaaaad!;
Mijn zonde zie ‘k mij steeds voor ogen zweeeeven.

De laatste uithaal was iets teveel van goede, de dominee kijkt verstoord in haar richting. Sofia lacht heimelijk, Ria durft wel. Maar ja, haar ouders zijn niet zo streng in de leer.
‘Ria… ze kent al haar geheimen. Haar beste vriendin met wie ze alles deelt. Bijna alles…’ Sofia twijfelt, zal ze haar in vertrouwen nemen? Hoe zal ze reageren?

Een harde por in de zij. ‘Opletten!’ sist haar moeder venijnig in haar oor. Bedeesd slaat ze haar ogen neer. Je maakt de hele familie tot schande.’ Sofia kan het wel dromen, zo vaak heeft ze deze woorden gehoord. Niets kan ermee door, altijd heeft haar moeder wel een sneer klaar, een venijnige opmerking paraat.
Heimelijk kijkt ze naar haar moeder. Uit haar ooghoeken ziet de smalle lippen, strak opeengeklemd, de spitse neus en de bleke wangen. ‘God was niet gunstig gestemd toe je verwekt bent ma. Soms vraag ik me af of ik je dochter wel ben.’

De dienst is bijna over, de zege wordt uitgesproken, nog een samenzang. Terwijl de koster de deur van de consistoriekamer sluit en het orgel zijn laatste adem uitblaast stroomt de kerk leeg, het natte plein op. Bij de uitgang wordt de dienst besproken, elke keer weer, om elkaar bevestiging te vragen. Hebben we Gods woord begrepen? De vijfde vraag uit de catechismus, waarom is die zo belangrijk?

Sofia loopt naar huis. Als ze zich tussen de groep mensen probeert door te worstelen wordt ze tegengehouden door twee mannen. Ze vraagt beleefd of ze door mag lopen, maar ze kijken haar alleen maar aan. Een van hen, een kerel met donker vettig haar doet een stap dichterbij, en brengt zijn gezicht vlak bij het hare: ‘dat moet je dan heel lief vragen Sofietje.’ Zijn adem stinkt naar tabak en koffie. Ze wil zich omdraaien maar hij grijpt haar arm vast en trekt haar naar zich toe. Zijn andere hand glijdt langzaam langs haar rug naar beneden tot hij vlak boven haar billen stopt. ‘Erg lief Sofietje, en zonder te schreeuwen.., want je weet wat er gebeurt als je schreeuwt nietwaar?’ Sofia kijkt angstig om zich heen, maar niemand reageert, iedereen kijkt de andere kant uit. Iedereen behalve haar moeder die ze recht in haar ogen kijkt. Ogen die spottend terugkijken. Met een schok realiseert Sofia zich dat haar moeder haar uitlacht.

‘Sofieee!’ De stem van Ria snijdt door de groep zwarte pakken en nette hoedjes. De man houdt haar nog even vast. Dan draait hij zich om en loopt samen met z’n maat het kerkplein af, door de dorpstraat naar de brug. Op de brug blijft hij staan een kijkt om naar Sofia. Zijn ogen glinsteren. Sofia staat als versteend, ze wil niet geloven wat er net is gebeurd. Een wildvreemde man die weet wat er gebeurd als ze schreeuwt? Die weet dat ze schreeuwt als…’Heee, Sofie? Waar ging dat over? De tranen staan in haar ogen als ze Ria aankijkt. ‘Ria, ik.. ‘

Ruw wordt Sofia onderbroken door haar moeder. ‘Hallo Ria, ik denk dat het beter is als je naar huis gaat. En jij gaat met me mee.’ Ze pakt Sofia’s arm en trekt haar mee naar huis. Bij de voordeur aangekomen stopt ze en grijpt Sofia bij haar schouders vast. ‘Jij zal je vanmiddag wel gedragen nietwaar? Ik wil geen geintjes meer van jou!’ Je hebt gewoon te doen wat je verteld wordt want anders…’ Ze maakt haar zin niet af, maar Sofia weet precies wat haar moeder bedoelt. Langzaam loopt ze achter haar moeder aan naar binnen.

In de woonkamer staat de radio aan. Naast de haardkachel zit vader in de rookstoel te luisteren naar klassieke muziek, een opera van Verdi zo te horen. Terwijl ze de keuken inloopt hoort ze hem zachtjes meeneurieen. De rillingen lopen over haar rug als ze naar de kapstok loopt om haar jas op te hangen. De kat springt voor haar voeten weg, langs haar benen de bijkeuken in. Haar moeder heeft geen oog meer voor haar, er moet worden gegeten. Op het aanrecht staat het eeuwige draadjesvlees te stoven op het petroleumstelletje, een weerzinwekkende geur van dood dier door het huis verspreidend. Een groen gestreept plastic tafelkleed bedekt de oude, bruin verkleurde, tafel. Naast het bord van vader het Handelsblad, strak gevouwen. Sofia ergert zich nu al: het ritselen van de krant, het zwijgend eten van moeder. Het zijn niet de gezelligste maaltijden.

‘We gaan bidden’ Moeder buigt eerbiedig het hoofd en prevelt haar gebed. Ondanks een kerkdienst van anderhalf uur moet opnieuw worden gesmeekt voor het dagelijks brood, de zonden beleden worden en vergiffenis afgesmeekt. ‘Heren zege deze spijzen amen’ voldoet in dit huis niet. Vader bidt niet mee. Met open ogen staart hij voor zich uit als zijn vrouw extatisch God aanroept. Snel sluit hij de ogen als het gebed van moeder bijna klaar is. Pas als zij haar handen op tafel legt opent hij ze weer en zegt plechtig: ‘amen.’

De maaltijd verloopt zoals altijd in stilte, moeder schept de borden op, vader leest de krant en Sofia… Sofia denkt aan dat moment dat hopelijk snel zal komen, het moment van bevrijding, de verlossing uit dit bestaan, het moment dat ze zal verwelkomen als een gift van… God? Nee dat niet, dat nooit meer. Voor God is in haar leven geen plaats meer, is nooit plaats geweest.

Het is bijna twaalf uur. Om één uur begint G.B.J. Hilterman met zijn preek: de toestand in de wereld.

Sofia ruimt de tafel af. Vlug spoelt ze de borden, wast het bestek af. Ze wil nog maar één ding: weg uit de keuken, naar boven, naar haar kamer. Alles beter dan het gezelschap van haar ouders.

Als ze de deur van haar kamer opendoet deinst ze terug. Ze wil gillen maar er komt geen geluid uit haar keel: op haar bed ligt een dode rat.

Hoofdstuk 3. Ogen

Haar hart gaat als een gek tekeer. Trillend staat ze in de opening van de deur, haar ogen gefixeerd op haar bed. De dode rat ligt op zijn rug, zijn pootjes gespreid, zijn staart recht naar beneden. Het kussen is nat van het bloed. Welke gek heeft dit gedaan? Alsof de rat elk moment tot leven kan komen, zo voorzichtig schuifelt ze naar het bed toe. Bij het bed aangekomen buigt ze zich voorover….

Zacht strijkt iets warms langs de binnenkant van haar benen. Alsof de duivel zijn hoofd tussen haar dijen heeft gestoken. Een ademstoot uit de hel. Sofia gilt en springt achteruit. Sissend springt de kat op het bed en grijpt de rat. Met felgele ogen kijkt hij naar Sofia, de rat druipend van het bloed bungelt uit z’n bek.

‘Wat is er? Wat sta je te gillen?’ Moeder staat onder aan de trap en wil weten wat er aan de hand is. Haar stem is schel en dwingend.
Sofia kan niet uit haar woorden komen, ze probeert te antwoorden, maar er komt geen geluid uit haar mond, haar stem verstikt van schrik. De trap kraakt, moeder komt naar boven. ‘Geef antwoord!’ Ze draait zich om en loopt haar kamer uit, de gang op haar moeder tegemoet. ‘Een dode rat moeder, Moortje heeft een rat gevangen..’

Rastloses Sehnen! Wünschendes Herz,
Immer nur Tränen, Klage und Schmerz?

Krassend draait de plaat zijn rondjes onder de naald. Een gedicht van Rellstab, Frühlingssehnsucht, door de stervende Schubert gebruikt om nog éénmaal zijn verdriet de wereld in te schreeuwen.

Vader tikt zachtjes op de tafel. Met een van nicotine bruin verkleurde nagel wijst hij de regels aan. Zachtjes prevelend leest hij de passage nogmaals. Hij begrijpt heel goed wat dit betekent, maar om het te aanvaarden, dat is nog iets anders.

‘Dit, of iets dat er op lijkt, is de manier waarop heksen eerzame vrouwen, die weinig op hebben met vleeschelijke lusten, maar bezorgd zijn voor hun sociale positie, verleiden tot het kwaad. Maar bij jonge meisjes, die meer gericht zijn op sex en plezier, gebruiken zij een andere methode, gericht op hun geile verlangen, hun hunkering naar het vlees. Bedenk hierbij dat de duivel liever de goede onder hen verleidt dan zij die van nature verdorven zijn. De verdorvenen worden eenvoudiger verleid dan de goeden. Daarom zal de duivel des te harder proberen deze heilige maagden en meisjes te verleiden.’

Het boek ligt opengeslagen op de eettafel. Vol met donkere vlekken en gekreukt lijkt het eeuwen oud, geschreven in een schimmige tijd, door duistere lieden. Het verspreidt een geur van dood en verderf, een muffe geur, alsof je een vochtige, schimmelende kelder onder je neus hebt liggen.

Het kwaad moet worden uitgebannen. Het Boek wijst hem de weg. De Malleus maleficarum. De heksenhamer. Vanmiddag zal de duivel zijn gehoornde gezicht laten zien. Peinzend slaat hij het boek dicht, staat op en legt het boek in een doos. Met de doos tussen zijn handen geklemd loopt hij naar de secretaire, draait de sleutel om van de schuif en zet de doos voorzichtig neer. Nog een half uur, dan komen ze. Eindelijk zal de begeerte worden vernietigd, zal de lust die hem verteerd worden bedwongen.

De plaat is afgelopen, de naald tikt in de laatste groef, tikt in de laatste groef, tikt…
Met een zucht zet hij de pick-up uit en draait de radio aan, nog even en het is één uur. Tijd voor ‘De toestand in de wereld’

Sofia zit achter haar bureautje en staart naar de brief die voor haar ligt: ‘Lieve Sofie, ik begrijp niet wat hen bezielt, maar dit kan zo niet, dit laat ik je niet langer aandoen…’ Haar handen liefkozen de brief, een brug naar een wereld ver weg. Een wereld van liefde en geluk, zonder vernedering, geweld en intimidatie.

Zwak dringt het geluid van de radio door het plafond heen. De toestand in de wereld schalt op gedragen toon door het huis: “Leven zonder God is minder makkelijk dan het leek. Smartelijk missen velen in deze nieuwe tijd ook de duivel….De rest kan ze niet verstaan. Hilterman is weer goed op dreef, de onheilsprofeet van de lage landen. Ze rilt onwillekeurig. Nog even en dan..

‘En dus waarde luisteraars hierbij mijn visie op de toestand in de wereld. Goedemiddag.’

De stem zwijgt. Het enige geluid dat ze nog hoort is de regen op het dak die met bakken naar beneden valt. De angst slaat haar om het hart, het zweet parelt op haar voorhoofd. In de bijkeuken gaat de achterdeur open. Moeder gaat naar een gebedsbijeenkomst, samen zingen en bidden. Alleen met vader in huis, nog wel…

Sofia maakt de knoopjes van haar blouse open, trekt hem uit en vouwt hem netjes op. Dan stapt ze uit haar rokje en doet haar panty uit. Op haar armen kippenvel, de haartjes aan de binnekant van haar dijen staan recht overeind. Haar schoenen met de hoge hakjes houdt ze aan. Ze loopt naar de spiegel en pakt uit haar toilettas de zwarte lippenstift en paarse mascara.
Het ritueel is begonnen, de angst werkt verdovend, Sofia verricht werktuigelijk alle handelingen die haar zijn opgedragen. Handelingen die ze kan dromen. Langzaam draait ze zich om en gaat in de hoek van de kamer staan, haar armen langs haar lichaam, het hoofd gebogen, de ogen neergeslagen.

De kat kruipt onder het bed vandaan, in zijn bek de kop van de rat. Hij gaat tegenover haar zitten en kijkt Sofia recht in de ogen. Ogen die in het niets staren, zwart gemaakt met verf, ogen als zwarte gaten…

De trap kraakt.

Hoofdstuk 4. Verlossing

Bewegingloos staat ze in de hoek van de kamer te wachten op het onzegbare. Langs de muren hangen kleden van zwart velours. Een schilderij in een zware houten lijst domineert de wand naast de deur, een stier met reusachtige hoorns staat briesend boven een vreugdevuur, naakte demonen aan zijn hoeven. Haar ogen, zwart in haar bleke gezicht, staren naar de deur.
De voetstappen komen dichterbij, om voor de deur van haar kamer te stoppen. Langzaam, met een metalige piep, wordt de deurknop omgedraaid, de deur opengeduwd…

De regen is overgegaan in nevel en dringt door de kieren van het rieten dak door tot in de diepste krochten van het huis. Wolken wierook hangen als een deken in de kamer en worden spookachtig verlicht door een cirkel van kaarsen. In het midden van de kring staat een zilveren beker.

Ze zitten in een cirkel, een walmende kaars voor zich. Het flakkeren van het vuur werpt groteske schaduwen op de muur. Gehuld in zwarte mantels zijn alleen de ogen zichtbaar, schitterend achter een spleet in de maskers. Een van hen staat op, pakt de beker, en zet hem aan de lippen van Sofia. Zonder zich te verzetten drinkt ze de beker leeg. Uit haar mondhoeken loopt de rode vloeistof naar beneden, langs haar hals tussen haar borsten door naar haar navel.

Sofia loopt naar het midden van de cirkel, de Dimethyltryptamine gierend door haar lijf. Haar lichaam trilt, ze wil zich verzetten maar kan niet, de drugs, de hypnotiserende ogen van de mannen, de demonen, de duivels om haar heen dringen in haar hoofd, ze is de controle over haar wil verloren. Onder de zwarte mantel is ze naakt. De zwart satijnen stof valt soepel om haar lichaam en laat weinig aan de fantasie over. Ze voelt de spanning in de kamer toenemen als ze de zweep opraapt en in het midden van de cirkel gaat staan. Oorverdovend zingt Diamanda Galas: ‘Deliver Me from Mine Enemies’.

‘Het is mijn wil om de egrogore van Lilith op te roepen, zodat wij door haar ziel worden bevrijd van angst voor dood en genot en gezegend worden door haar kracht!’

De stem van Sofia is veranderd. Het is alsof een ander in haar lichaam is gekropen. Haar bovenlichaam wiegt heen en weer, ze heeft haar ogen weggedraaid. Met haar armen voor zich uitgestoken fluistert ze, zacht maar voor iedereen hoorbaar:

‘Ik ben de dochter van de Vader en dien hem op alle dagen in mijn jeugd. Ziehier, ik geloof, maar de hemel drukt op mij. Zij verlangt naar me met onbevredigbare lust, want niemand op aarde heeft mij ooit in zijn armen genomen, ik ben overschaduwd door een cirkel van sterren, omgeven door wolken. Mijn voeten zijn sneller dan de wind, mijn handen zachter dan morgendauw. Mijn gewaad is van de schepping, mijn tempel ben ik zelf. De gedrochten in het woud weten niet waar ik loop, de ware God kent mijn verblijfplaats niet. Ik ben genomen maar toch nog maagd. Ik bevredig maar ben niet bevredigd. Gelukkig hij die mij mag omhelzen want nachts ben ik zijn geliefde en overdag zijn geluk. Ik ben de harmonie van al dat leeft, mijn lippen zoeter dan Zijn liefde. Ik ben de Uwe dus gebruik me. Zonen der mensen kom tot mij, schenk mij uw heiligheid. Laat uw trompetten schallen, verscheur uw kleed en ik geef u kinderen en zij zullen de zonen van de liefde zijn in de Era die gaat komen.’

Sofia bestaat niet meer. De vrouw in de cirkel is bezeten door Lilith, opgeroepen uit het duister van het onnoembare. Overmand door de hallucinerende werking van DMT is haar werkelijkheid veranderd. Om haar heen dansen demonen, verschijnt de duivel aan haar als een reusachtige stier. Het plafond loopt over in de sterren, de muren zijn vervaagd tot een zee van vuur. Haar angst is verdwenen. Zij heerst over hen. Met haar linkerhand maakt ze haar mantel los, naakt staat ze in cirkel en wijst naar een van hen…

De groep zingt zachtjes, ritmisch wiegend op de toon van de muziek het lied van Lilith

‘Luna negra, Lilith, hermana tenebrosa,
Cuyas manos dan forma al lodo infernal,
En lo más débil de mi, en lo más fuerte,
Moldeándome como arcilla a partir del fuego.

 

Luna Negra, Lilith, Yegua de la Noche,
Lanza a tus crías al suelo
Expresa el Nombre y emprende tu retirada
Pronuncia ahora el sonido secreto’

Twee paar handen grijpen haar schouders en dwingen haar op de grond te gaan liggen. Zonder verzet laat ze hen begaan, geeft ze zich over. In de hoek van de kamer staat een oude gebogen man op en laat zijn mantel op de grond glijden. Hij loopt naar Sofia toe en buigt zich over haar heen. Zijn hijgende adem slaat in haar gezicht. In haar onderbewustzijn herkent ze de geur van pepermunt…

Weggedoken onder haar paraplu loopt moeder naar het huis van de koster. De gebedsbijeenkomst is deze zondag bij hem. Ze vindt dat altijd wel prettig. Janus en zijn vrouw zijn aardige mensen en, ze zal dat nooit toegeven, eigenlijk is het wel lekker om uit huis te zijn. De laatste tijd is Sofia zo dwars, er is geen land met haar bezeilen. Van haar man kan ze ook geen hoogte krijgen, die is met zijn hoofd ergens anders mee bezig, niet met ons in ieder geval. ‘Ik wilde dat het anders was, dat we nog een gezin waren.’ Moeder schrikt van de gedachte. Zo wil ze niet denken, dat geeft teveel verdriet. En bovendien peinst ze, er is toch niets aan te veranderen. In onze kringen ga je niet uit elkaar. Je legt de gelofte van het huwelijk af met God zelf als getuige. Nee, dat zal anders moeten worden opgelost. Ze zal het er na afloop van de bijeenkomst met de dominee over hebben.

Als ze de hoek omslaat staat ze oog in oog met het vriendje van Sofia en Ria. Koel neemt ze hen op. Ria is nu niet direct het soort meisje waar Sofia mee zou moeten omgaan en dan die jongen. Daar wil ze niet eens mee praten. Katholiek. Met een kort knikje wil ze doorlopen, niet de behoefte om haar tijd te verspillen als Ria haar aanspreekt. ‘Mevrouw, mag wij u even spreken? Het gaat over Sofia..’ Iets in de stem van Ria zegt haar dat er iets mis is. Grondig mis. ‘Ze zal toch niet? Nee, dat niet, dat Rotkind!’

Na afloop van de dienst keek Ria de twee vrouwen na. Wat een vreemde reactie van dat rare mens. En dan Sofia. Dat klopt toch niet? Niets voor haar om zo te reageren, wat is er aan de hand? Ze had nog even gewacht of haar vriendin terug zou komen maar na een paar minuten had ze het opgegeven en was naar huis gegaan. De regen was overgegaan in een wolkbreuk, de hemel zelf kwam naar beneden. Het leek wel nacht, zo donker was het. Aan de horizon liepen de zwarte strepen van de grauwe wolkenmassa over in modderige weilanden. De plassen op straat waren niet meer te ontwijken en haar schoenen raakten doorweekt. Op de kwakel had ze nog een keer omgekeken, daarvandaan kon ze nog net het zolderraam van Sofia zien. Achter het gordijn brandde licht. ‘Ik zal dat vriendje van haar eens bellen, misschien weet hij wat er aan de hand is.’

‘Wat is er aan de hand?’ Op haar gebruikelijke schelle, commanderende toon eist ze tekst en uitleg. Diep van binnen is ze niet zo, maar door alles wat ze heeft meegemaakt is haar ziel verhardt. ‘Ik wil nu weten wat er aan de hand is..’ Ze moet bijna schreeuwen, zo hard regent het nu. De putten lopen over, en behalve een eenzame natte kat die rennend zijn prooi in veiligheid wil brengen is er geen niets op straat. ‘Mevrouw, kunnen we even met u meelopen? Ik denk dat we beter even binnen kunnen praten.’

Er valt een diepe stilte. De leden van de bijbelkring durven elkaar niet aan te kijken, zo geschokt zijn ze. Ria zwijgt. Haar handen beven, de brief ritselt tussen haar vingers. Zwijgend kijkt ze de kring rond. ‘Ik heb dit vanmiddag gehoord, net na de ochtenddienst. Kennelijk wist hij er al langer van.’ Het vriendje van Sofia zit met gebogen hoofd naast haar. Hij wist niet hoe hij er mee om moest gaan is zijn slappe verweer. ‘Waar moet je naar toe met zoiets?’ Dit is toch niet normaal? En bovendien jullie hadden me toch niet geloofd, ik ben tenslotte katholiek?’ Zijn toon is scherp, bijna agressief. Nog steeds zegt niemand iets. ‘Hoelang is dit al aan de gang?’ De koster doorbreekt het zwijgen. Zijn stem snijdt door de kamer. ‘En vooral, wat gaan we eraan doen?’ De moeder van Sofia staart voor zich uit. Ze voelt alle ogen op zich gericht. Vertwijfeld kijkt ze van de een naar de ander. ‘Moet ik dat zeggen!! Ik weet het toch ook niet! Als de domi.. Ze slaat de hand voor haar mond en zwijgt. Ria maakt de zijn voor haar af: ‘Als de dominee nu hier was geweest dan had hij het wel geweten, dat wilde u toch zeggen? Maar dat is het nu juist, hij is hier niet! schreeuwt ze: HIJ IS HIER NIET!’

Ze lopen over smalle wegen, de modderige paden van het vlakke land. De handen gekloofd, de ruggen gekromd. Op het gezicht een verbeten trek, een uitdrukking van woede. De mannenbroeders. Voor de deur van de kerk verzamelen ze zich, de zwarte jassen druipend van de regen. Even staan ze in een kring bij elkaar, dan draaien ze zich om en lopen zwijgend naar het huis. Een voor een gaan ze naar binnen. De kerk zal nooit tevergeefs een beroep op hen doen.

Lees het vervolg: De rat

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s