Eva en de hemel

eva en de hemel

Het was vroeg donker. Het miezerde en het was kil. De verwaaide hemel zat vol met natte wolken die me dreigend aankeken. Een dag om snel te vergeten. Ik vluchtte de kroeg in om een beetje op temperatuur te komen.

Ik kende de kroeg niet. Het bleek een donker lokaal met lage zoldering. De geur van natte regenjassen, jenever en bejaard mens drong zich aan me op. Ik aarzelde … Niet omdat ik dacht niet welkom te zijn, zeker niet omdat ik walgde van de lucht. Ik aarzelde omdat ik een déjà vu ervaring had. De kroeg bracht lang begraven herinneringen boven.

Halverwege de jaren tachtig in de vorige eeuw liepen Frank en ik door de straten van Wageningen. Het miezerde en was kil en de kroeg lokte. Ik werkte als vormgever bij een drukkerij in de buurt en was na een dag met trieste collega’s, saai werk en onvervuld verlangen naar ‘iets anders’ toe aan bier. Bier en een goed gesprek. Dus had ik Frank gebeld.

Frank

Frank was de vleesgeworden definitie van bier en goed gesprek. Hij studeerde moleculaire biologie, dronk voornamelijk Duvel en zag eruit zoals God een man had bedoeld. Naast knap was Frank dus slim en de beste gesprekspartner die ik ooit heb gekend. Frank en ik hadden nog iets gemeen: wij fotografeerden. Van alles. We waren niet kieskeurig en zolang het resultaat maar bijzonder en artistiek verantwoord was maakte het ons niet uit of het een meisje was of een vuilnisbak. Ok, ik geef toe dat wij meer meisjes dan vuilnisbakken voor de lens sleurden.

Frank en zijn Mamiya. Geert en zijn Leica. Een steeds terugkerende discussie: 6 x 6 tegen 24 x 36. Ilford FP4 versus Kodak Tri-X. Duvel en Trippel.

We spraken af zonder vriendinnen. Die uiteindelijk met ons zijn getrouwd, ondanks alles. Ondanks deze avond … Een avond die begon om vier uur in Café Loburg en eindigde in een souterrain in de Dijkstraat.

Wij zijn niet alleen

‘Frank! Ik zit in de hoek!’ Frank tuurde door de rook naar de plek waar hij vermoedde dat ik zat. ‘He Geert!’ Hij lachte breed. Een Prodent lach die het schimmige café lichter maakte. Hij droeg zijn visgraatjas en had een Palestijnse das om. Over zijn schouder de onafscheidelijke tas met camera en flitser. ‘Zal ik bestellen?’

Dat was niet nodig. Loburg kende ons en wie er ook achter de bar stond wist wat we wilden drinken. Duvel voor Frank en Tripel voor mij. Plus kopstoot en pinda’s. En zonder bericht hetzelfde als de glazen leeg waren. Medicijnen voor een goed gesprek. Toen de schoonheid van dienst, ik weet haar naam niet meer, de tweede reeks stimulerende middelen kwam brengen boog Frank zich naar me en toe en zei zachtjes: ‘wij zijn niet alleen… Nee, er staat een meisje naast je, dat klopt.’ Hij keek verstoord, lachte vriendelijk naar haar en zei dat hij iets anders bedoelde. ‘Ik denk dat er tussen dit leven en het volgende meer is dan we weten. Dat geloof ik echt.’ Ik keek bedenkelijk. ‘Beetje vaag man.’  ‘En waarom niet?’ Heb jij dat gevoel dan nooit?’ Dit was een andere Frank. Bij ons ging een ‘goed gesprek’ vooral over perspectief, lijnen en rondingen. Over soft focus of keihard doordrukken. En over schoonheid. We waren tenslotte een jaar of twintig. Hij rommelde wat in zijn tas, haalde er een doos Ilford fotopapier uit, en legde een foto op tafel. ‘Wat zeg je hier dan van?’

Een hemel zonder sterren

One Night Blues van de Livin’ Blues. De stem van Nico vulde de ruimte en de gitaar van Loek zorgde voor kippenvel. De wolken rook werden bijna tastbaar. Op de foto een bloot meisje. Een naaktstudie. Ze lag op haar zij met de rug naar de camera toe, haar hoofd zover naar voren gebogen dat het leek of haar witte lichaam ophield bij haar schouders. Ze had haar benen opgetrokken. Een romp met prachtige billen was het enige wat te zien was. Geïnspireerd door Helmut Newton ongetwijfeld. Even keek ik verstoord. Ik kende die billen maar al te goed. Eva lag op een zwart laken dat Frank half over de rand van het bed naar beneden had laten hangen. Prachtig uitgelicht, net alsof ze in een nachtelijke hemel zweefde. Een hemel zonder sterren. Een foto zonder leven. Een foto van de dood.

Lief!

Met elke stap verwijder ik me verder tot alleen haar geur nog bij me is. Nu ook die vervlogen is loop ik alleen met mijn gedachten door de smalle straten van de stad. Zal ik haar ooit nog zien, aanraken, omhelzen? Haar beminnen? Of is ze verloren als een droom bij het ontwaken?

Lief. Het spel is spel gebleven, maar soms, soms …. denk ik terug aan die dagen van onschuld, die dagen vol warm verlangen. Droom ik gedachten die verzwegen moeten worden, verlies ik mezelf in: als ik …, als we…!

Op de hoek van twee stegen stop ik. Ik aarzel wat te doen, ga tenslotte in de vensterbank van een winkel zitten en steek een sigaret op. De rook prikkelt in mijn ogen. Tranen lopen over mijn wangen als ik me de zachtheid van haar huid, de geur van haar lijf probeer te herinneren.

Ze leunde tegen de muur, trok haar schoenen uit en plofte op bed. Met gesloten ogen lag ze op haar rug naast me, de haren als een waaier om het hoofd. Ik streelde voorzichtig haar hals, haar kin en streek met mijn vingers over haar lippen.

Lief. Na een laatste diepe haal smijt ik de sigaret weg en besluit de kroeg in te gaan. Ik wil nu niet alleen zijn. Het gezelschap van een zwijgzame kroegbaas is beter dan een huis waar alles aan haar doet denken. Ik kom hier nooit, deze kroeg spreekt me niet aan, maar bier is bier nietwaar? En dronken worden kan je overal. Even aarzel ik, vraag me af of dit wel een goed idee is, maar besluit toch door te zetten, de angst voor eenzaamheid is te groot. Eenzaamheid en drank …

Terwijl ik haar kuste maakten haar lange vingers een voor een de knoopjes van haar jeans los. Met haar duimen onder de broekband duwde ze, draaiend met haar billen de jeans langs haar dijen naar beneden. De kleine haartjes op haar dijen plakten aan haar klamme huid.

Na het vijfde biertje komt mijn goede humeur terug en bij nummer tien vraagt de kroegbaas me vriendelijk af te rekenen en op te rotten. Ik schuif de gordijnen in de deur opzij en wankel de nacht in.

De klinkers van de straat reflecteren mijn schaduw. Boven mij schermen de huizen de hemel af. Het lijkt alsof ze door de dwang der eeuwen naar elkaar toe zijn gegroeid, tot elkaar zijn veroordeeld, ze verdringen de avondlucht, verduisteren de sterren, doven het licht. Doven mijn licht.

Lief…. heb me lief. Vergeet mij niet …

Waar is God?

Lange tijd heb ik me er niet mee bezig gehouden, met het geloof bedoel ik. Geloof was iets voor oude mensen die niet hebben kunnen genieten van de verlichting die mijn generatie mocht ervaren. Geloof in iets dat je niet kan zien was onzin. Met veel verbazing zag ik mensen gehuld in zwarte kleding op zondagmorgen met het hele gezin naar de kerk lopen en kon mij niet voorstellen dat ik ooit een van hen was. Het geloof was op een bepaald moment uit mijn leven verdwenen. Niet echt over nagedacht, niet bewust tegen aangeschopt, geen enorme frustaties aan over gehouden. Het was er niet meer. Alsof het er nooit was geweest. God negeerde mij en ik hem.

Telkens weer word ik geconfronteerd met mensen die zich hebben moeten ontworstelen aan de greep van de kerk. Aan de repressie van de omgeving, de geestelijke druk, chantage door hun ouders. Bewust gingen ze de strijd aan met de God van hun jeugd. Verbaasd lees ik over ruzies, schreeuwende ouders en afkeurende buren. De dominee die wanhopig probeerde om de schaapjes bij de kudde te houden. Het is allemaal aan me voorbij gegaan.

Boeken vol met tenhemelschreiende verhalen van gefrustreerde agnosten in spe, klaagzangen over geloofsfanatici, godsdienst waanzinnigen en gekwetste teergevoelige. Zoals elke moordenaar een slechte jeugd móet hebben gehad, geslagen is of zwaar mishandeld, zo móet elke schrijver diep in het geloof hebben gezeten. Althans, zo schijnt het … Gerard van het Reve, Maarten het Hart, Norman Mailer. Zonder de worsteling met het geloof waren ze niet geworden tot de schrijvers die ze zijn of geweest zijn. De rode draad is de opgelegde keuze. Het gebrek aan vrijheid om te geloven wat ze zelf wilden. De absolute keuze vrijheid van het individu. Ook om niet te geloven. Maar juist bij het laatste, de keuze om niet te geloven, zet ik mijn vraagtekens. De stellingname tegen iets, hoeft geen ontkenning in te houden. Er veranderd immers niets. God bestaat niet want je kan hem geen hand geven, hij zit ‘s-morgens niet in de bus.

Ik zit de trein, voor het eerst sinds jaren, en sluit me af van de wereld door de Iphone aan te zetten. De shuffle gekozen om te laten verrassen met een mp3 uit de krochten van 32 gig aan muziek. Joan Osbourne fluistert in mijn oor:

If God had a name, what would it be
And would you call it to his face
If you were faced with him in all his glory
What would you ask if you had just one question
And yeah yeah God is great yeah yeah God is good
yeah yeah yeah yeah yeah

Er is veel nodig om een mens aan het denken te zetten. Denken, en vooral overdenken waarom ik de gedachte aan God volledig heb genegeerd. Zoals onze ouders en voorouders klakkeloos aannamen dat God bestaat, zo heb ik als vanzelfsprekend aangenomen dat God een fabeltje is. Een ondoordachte stellingname en een belediging van de ratio.

De gedachte aan een Schepper, een poppenspeler die aan alle touwtjes trekt is aantrekkelijk. Als je de redenatie ver genoeg door trekt ben je zelf nergens voor verantwoordelijk, alles is tenslotte voorbeschikt nietwaar? De mens wikt, maar God beschikt. In mijn über individuele persoonlijkheid is dit een stellingname die me direct aan het twijfelen zet. Met dit argument in het achterhoofd zijn talloze misdaden gepleegd, oorlogen gevoerd en bevolkingsgroepen uitgemoord. De regie over goed en kwaad uit handen geven aan een entiteit die ik niet recht in de ogen kan kijken of om opheldering kan verzoeken via een e-mail staat me tegen.

Begrijp me goed, ik ben geen filosoof, geen intellectueel of rechtsgeleerde. Ik ben slechts één van talloos veel miljoenen die op zeker moment in het leven tot de conclusie komt dat de antwoorden op zijn.  Dat de evolutietheorie slechts verklaart wat geworden is uit niets, zoals deze tekst het gevolg is van een idee, en een kind het vervolg op liefde, wat in zekere zin ook een idee is.

Bestaat God? En is één God wel voldoende? Is het niet noodzakelijk omwille van de onpartijdigheid een hele reeks opperwezens aan te stellen? Met ‘De God’ als voorzitter desnoods? Leuke gedachte die in de Griekse mythologie uitgebreid is onderzocht en die ons een antwoord probeert te geven op de fundamentele vraag, de kernvraag die volgens mij ten grondslag ligt aan de hele Godsvraag: wat als ik doodga? Een zuiver egoïstische vraag en de meest essentiële die een mens zichzelf zal stellen. Is er leven na de dood? Kom ik in de Hemel, is er een hel of stopt het gewoon. Is de filosofie een antwoord op het seculiere leven?

Als nakomelingen en roem, nageslacht en heldenmoed ons niet in staat stellen om de dood met meer onbewogenheid tegemoet te treden en het goede leven niet echt voor ons toegankelijk maken, tot welke wijsheid moeten wij ons dan wenden?  Overigens is de mens het enige levende wezen dat zich ten volle bewust is van het feit dat het leven eindig is, dieren vertonen soms gedrag dat lijkt op angst voor de dood, kruipen weg, maar zoals recent onderzoek beweert, is dit om niet lastig te worden gevallen door aaseters en ander tuig.

Nadenken over God schijn je niet alleen af te kunnen. Talloze ‘geleerden’ en wetenschappers, priesters en dominees reppen zich naar de twijfelaar om hem te voorzien van rotsvaste adviezen en granietzuivere overtuigingen. Je te bestoken met de enige waarheid en het ware woord. Filosofen en humanisten sloven zich uit om je van het tegendeel te overtuigen. Wetenschappers presenteren theorieën die zo ingewikkeld zijn dat zelfs God ze niet had kunnen bedenken. Zoals een dichter ooit zei nadat een taalgeleerde zijn gedicht had geanalyseerd: ‘God, ik wist niet dat er zoveel in zat … ‘

Of zou Willen Kloos toch gelijk hebben toen hij schreef:  ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten …’

Gallery

Photographer – graduated

On the 10th of July I finally graduated in photographic design. After a study of three years only 4 students out of 12 made it to the finish. Including me 🙂

My graduation project consists of 6 portraits of refugees

Het meisje met de stokjes

Direct stapelverliefd, op het meisje met de stokjes. Wat was ze mooi! Ik hield mijn adem in toen ze in haar grijze jurkje, op haar zwarte laarzen het podium opliep. Het orkest zat te wachten tot ze met haar stokjes tikte.

Tik Tik Tik Tetter!

Het blaasorkest vulde de zaal met herrie. Het meisje met de stokjes zag ik alleen van achteren, ze keek me helemaal niet aan. En toen was het over. De trompetten zwegen, de tuba hield zijn mond en het meisje draaide zich om. Haar strakke grijze jurkje spande om haar bolle buikje terwijl ze stralend voor het publiek boog. Naar mij boog en me toen ze me aankeek was het alsof ik droomde.

Na afloop kwam ik haar tegen in de foyer. Ze stond een kopje sterrenthee te drinken.
‚Jullie zijn prachtig, wat ben je mooi!’ Haar lach was betoverend. Haar ogen straalden.

‚Mooi he? Zo met m’n kindje op het podium?’ We waren zo dicht bij elkaar.

Een kleine verliefdheid – Zomaar

(repost van 6 december 2010)

Headshots and Tableau photography

Early in 2018 I started as full-time professional photographer. The best decision I ever made. Now, almost a year later the results are there: specialised in #Headshots and large-scale tableau photography.

Not much time left for writing or participating in contests but very busy 🙂 making fotoshoots.

GSmits_20180411_2727_FR2x_F_1

Take a look at my companies website to see more!

Image

Monochrome Monday – 44

My niece

“We be light, we be life, we be fire! We sing electric flame, we rumble underground wind, we dance heaven! Come be we and be free!” ― Kate Griffin

Remake of a picture taken by Tom Munro from Angelina Jolie.